Verhagen Administraties

Volledig bericht

Terug naar de algemene nieuwspagina


Oud-aandeelhouder aansprakelijk voor VPB-schuld

Datum 18-10-2013 - 14:10

Belanghebbende, de heer X, is enig aandeelhouder/bestuurder van C BV. Deze BV verkoopt in 2000 haar onderneming (een tuindersbedrijf) en vormt een vervangingsreserve voor de bij de verkoop gerealiseerde boekwinst ad € 312.617 op het aanwezige onroerend goed. De vervangingsreserve is vanaf het belastingjaar 2001 omgezet in een herinvesteringsreserve (hir) als bedoeld in art. 3.54 Wet IB 2001. De ontvangen liquide middelen zijn vervolgens uitgeleend aan X. C BV ontplooit geen nieuwe ondernemingsactiviteiten. Eind 2004 verkoopt X zijn aandelen in C BV aan Y BV, waarbij Y BV de vordering op X geheel overneemt en de koper de verkoper vrijwaring verleent voor een mogelijke vervreemdersaansprakelijkstelling op grond van art. 40 Invorderingswet 1990. De overnemer, Y BV, gaat in 2007 failliet. Aan C BV is over 2004 een ambtshalve vennootschapsbelastingaanslag opgelegd. X is door de Belastingdienst voor deze aanslag voor een bedrag ad € 106.605 aan vennootschapsbelasting over de hir en een bedrag ad € 13.653 aan heffingsrente aansprakelijk gesteld op grond van art. 40 Iw.

In geschil is of X terecht als vervreemder van C BV aansprakelijk is gesteld voor een dele van de vennootschapsbelastingschuld van C BV. X betwist dat op het moment van vervreemding van de aandelen C BV de bezittingen van C BV in belangrijke mate uit beleggingen bestonden en derhalve art. 40 IW niet van toepassing kan zijn. De activa van de BV bestond, behoudens het recht op levering van de appartementsrechten ad € 450.000, uit een vordering op X van € 336.161. Tussen partijen is in geschil of deze vordering als belegging moet worden aangemerkt. De Rechtbank Haarlem oordeelt dat de aansprakelijkstelling in principe terecht is, omdat op het moment van de aandelenoverdracht de bezittingen van C BV in belangrijke mate (30% of meer) uit beleggingen bestonden en haar vermogen anders door een normale bedrijfsvoering is verminderd. De vordering op X is namelijk door het faillissement van Y BV verminderd. Aan alle in art. 40 Iw gestelde vereisten voor aansprakelijkheid van X is voldaan. De aansprakelijkstelling is echter wel te hoog, aangezien ten onrechte geen rekening is gehouden met het nog openstaande bedrag aan verrekenbare verliezen ad € 25.505. De aansprakelijkstelling wordt als gevolg hiervan verminderd tot € 97.806.

X gaat in beroep en doet onder andere een beroep op art. 40 lid 6 Iw. In dit artikellid is bepaald dat degene op grond van art. 40 lid 1 Iw aansprakelijk is, niet aansprakelijk is voorzover hij bewijst dat het niet aan hem is te wijten dat het vermogen van de vennootschap ontoereikend is voor het voldoen van de vennootschapsbelasting. Het Hof Amsterdam oordeelt dat het geen onderzoek doen naar de actuele gegoedheid van Y BV en haar herinvesteringsplannen alsmede door onvoldoende zorgplicht in acht te nemen dat de vennootschap over voldoende vermogen kon beschikken voor het voldoen van de vennootschapsbelasting, aan X is te wijten, zodat het aan X te wijten is dat de vennootschapsbelasting niet kon worden voldaan. X heeft in de leveringsakte expliciet verwoord dat sprake is van een stille reserve en heeft ingestemd met het achterwege blijven van een garantie van de koper op het adequaat benutten van de hir. De bezittingen van C BV bestonden door haar vordering van € 336.161 op X ten tijde van de vervreemding van de aandelen in belangrijke mate uit beleggingen. X heeft weliswaar € 62.443 gestort op een rekening bij de notaris, echter het is niet duidelijk wat daarmee is gebeurd. Het Hof verklaart het beroep van X ongegrond.


Terug naar de algemene nieuwspagina